Raad van State kraakt wetsvoorstel tweede ziektejaar
De Raad van State adviseert het wetsvoorstel Wijziging re-integratieverplichtingen kleine en middelgrote werkgevers in het tweede ziektejaar niet in te dienen bij de Tweede Kamer, tenzij er flinke aanpassingen komen. Volgens de Raad van State komt het re-integratietraject in het eerste ziektejaar juist onder druk te staan. Dan is de re-integratie gericht op terugkeer binnen de eigen organisatie (eerste spoor). Maar de kans bestaat dat er te weinig tijd is voor het eerste spoor of dat werkgever en werknemer juist met de pet gooien naar het eerste spoor. Dat meldt de Raad van State op 28 juli.
Tien weken minder voor re-integratie 1e spoor
Bij het huidige wetsvoorstel kunnen kleine en middelgrote werkgevers de re-integratie van zieke werknemers vanaf het tweede ziektejaar alleen nog richten op het tweede spoor (re-integratie buiten de eigen organisatie ), zolang de werknemer daarmee instemt. Maar de Raad van State verwacht dat veel werknemers dat niet doen. In dat geval moet de werkgever het UWV toestemming vragen tot beëindiging van het eerste spoor. Alleen moet die aanvraag uiterlijk in week 42 van het eerste ziektejaar gedaan worden. Daardoor is de periode van re-integratie in het eerste spoor zeker 10 weken korter en dat beperkt volgens de Raad van State de re-integratiemogelijkheden van de werknemers.
Met de pet gooien naar re-integratie 1e spoor
Verder regelt het wetsvoorstel dat na afsluiting van het eerste spoor de uiteindelijke UWV-toetsing van het re-integratieverslag bij een WIA-aanvraag alleen nog gaat over de re-integratie-inspanningen in het tweede spoor, tijdens het tweede ziektejaar. De inspanningen tijdens het eerste ziektejaar tellen dan helemaal niet meer mee. Dat botst volgens de Raad van State met de uitgangspunten van de Wet verbetering poortwachter. Werkgever en werknemer kunnen zonder toestemming van het UWV de re-integratie in het eerste spoor afsluiten. Daardoor kunnen ze de re-integratieverplichtingen in het eerste spoor in het eerste jaar volledig ontlopen. Dit leidt volgens de Raad van State vermoedelijk tot een hogere WIA-instroom.
Zeer beperkte verlichting
Verder vraagt de Raad van State zich af in hoeverre het wetsvoorstel de knelpunten in de praktijk nu echt aanpakt. Het is niet meer dan een zeer beperkte verlichting van het werkgeverschap voor kleinere werkgevers, want er verandert verder weinig aan de (financiële) verplichtingen en verantwoordelijkheden van de werkgever rondom ziekte en re-integratie bij medewerkers in vaste dienst. De loondoorbetalingsplicht kan zelfs duurder uitvallen als de zieke werknemer in het tweede ziektejaar herstelt. Bovendien houdt het wetsvoorstel geen rekening met een ander wetsvoorstel dat de transitievergoeding voor kleine werkgevers vergoedt bij ontslag na twee jaar ziekte. Daardoor ontstaat er een verschil tussen kleine en middelgrote werkgevers.
Extra onzekerheid
De Raad van State ziet verder veel extra werk afkomen op het toch al overbelaste UWV. Dat moet bij het wetsvoorstel twee nieuwe toetsen doen: bij een aanvraag van de werkgever voor toestemming om de re-integratie in het eerste spoor te beëindigen en bij een beroep van de werkgever op een nieuwe ontslaggrond. Omdat er straks geen bezwaar en beroep meer mogelijk is tegen een UWV-beslissing over het afsluiten van het eerste spoor zelf, moeten werkgever of werknemer naar de kantonrechter als ze het er niet mee eens zijn. Maar die gerechtelijke procedure, inclusief hoger beroep en cassatie, duurt langer dan het tweede ziektejaar en dat leidt tot extra onzekerheid.