Flexcontracten vanaf 2028 aan banden
Werkgevers hebben straks aanzienlijk minder vrijheid bij het inhuren van tijdelijke krachten en oproep- en uitzendkrachten. Doordat de Tweede Kamer op 12 mei heeft ingestemd met het wetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers (WMZF) is verandering van de regels rond inhuur van tijdelijk personeel een stap dichterbij gekomen. Het wetsvoorstel is onderdeel van een breder pakket aan voorstellen om de arbeidsmarkt te hervormen en moet de positie van flexwerkers verbeteren. De Tweede Kamer ging akkoord, onder voorwaarde van enkele aanpassingen.
Gevolgen voor de inhuur
In het voorstel voor de Wet meer zekerheid wordt straks onder meer het volgende geregeld:
- voor tijdelijke contracten
De wachttijd na drie tijdelijke contracten wordt verkort tot drie jaar in plaats van de eerdergenoemde vijf jaar uit het oorspronkelijke wetsvoorstel. Volgend op drie tijdelijke contracten is dan geen vierde tijdelijk contract bij dezelfde werkgever meer mogelijk. Alleen nog een vast contract of geen contract. In de huidige wet is de wachttijd nog zes maanden. Dit moet een einde maken aan de zogeheten draaideurconstructie, waarbij de werkgever de werknemer na een wettelijke toegestane onderbreking weer een keten van tijdelijke contracten aanbiedt en dit meerdere keren herhaalt.
- voor nulurencontracten
Nulurencontracten – oproepcontracten zonder werkgarantie – worden afgeschaft. In plaats daarvan komt er een zogenoemd bandbreedtecontract waarin werkgever en werknemer een minimum- en een maximumaantal uren afspreken. Daarbij mag het maximum de 30% niet overstijgen. Moet de werknemer structureel meer uren werken, dan moet de werkgever een contract aanbieden voor een hoger aantal uren.
Uitzonderingen hierop zijn jongeren, studenten en scholieren die een bijbaan hebben tot maximaal 16 uur per week en (aanpassing door de Tweede kamer) AOW’ers. Ook zij mogen nog werken op basis van een nulurencontract.
- voor uitzendkrachten:
Uitzendkrachten die hetzelfde werk doen als werknemers met een vaste arbeidsovereenkomst krijgen recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden, zoals doorbetaling bij ziekte. Ook als er een uitzendbeding geldt of dit in de cao niet is geregeld. De fases van uitzendwerk waarin de uitzendkracht elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uren hij kan werken, wordt verkort van anderhalf jaar naar één jaar.
Jarenlang flexwerken voorkomen
Het wetsvoorstel is bedoeld om werknemers met flexibele arbeidscontracten meer zekerheid te geven, zowel in werk als inkomen. Daarnaast moet het zorgen voor meer duidelijkheid over werktijden en roosters. Een ander doel is dat flexwerkers meer uitzicht krijgen op een vast contract. Het moet voorkomen dat werknemers jarenlang op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten ingehuurd kunnen worden, zoals onlangs bekend werd van een supermarkt die 7 jaar een uitzendkracht op tijdelijke contracten aan het werk hield.
Werkgevers minder enthousiast
Ook moet het wetsvoorstel bijdragen aan het verkleinen van de verschillen tussen arbeid in vast dienstverband en flexibele arbeid, zoals uitzendwerk en andere vormen van flexwerk. Werkgevers, die aanvankelijk voor de bredere hervormingen waren, lieten eerder dit jaar weten toch moeite te hebben met de strengere flexwet en zzp-handhaving. Die zouden weliswaar leiden tot meer regels voor flexwerk – en dus bescherming van de positie van flexwerkers – maar niet tot minder regels voor vaste dienstverbanden.
Beoogde ingangsdatum
Het gewijzigde wetsvoorstel gaat nu naar de Eerste Kamer. Als deze akkoord gaat, zullen de maatregelen in werking treden op 1 januari 2028. De beoogde ingangsdatum voor de gelijkwaardige beloning van uitzendkrachten is 1 januari 2027.