Nieuws
Laatst gewijzigd op: 27 april 2026 | Geschreven door: Redactie Performa HR

SER pleit voor meer rechten OR en PVT

De Wet op de ondernemingsraden (WOR) verdient een update. Er moet een verplicht scholingsplan in de wet komen te staan, zowel voor de OR als de personeelsvertegenwoordiging (PVT). Verder moet de bestuurder minstens een keer per jaar in het toch al verplichte artikel 24-overleg met de OR strategische onderwerpen bespreken die de middellange termijn van de organisatie raken. Toezichthouders en andere bestuurders, ook van stichtingen en verenigingen, moeten daarbij verplicht verschijnen. Dat vraagt Commissie bevordering medezeggenschap (CBM) van de Sociaal Economische Raad in een brief aan de minister van SZW van 21 april.

Scholingsplan

Kwalitatief goede scholing voor leden van de medezeggenschap is van groot belang. Ze beschikken vaak over veel minder kennis en vaardigheden dan hun gesprekspartner, de bestuurder. OR’en en PVT’en moeten serieus leren nadenken over welke scholing bijdraagt aan de uitoefening van de medezeggenschap. Daarom moet de huidige scholingsbepalingen in de WOR worden aangevuld met een verplichting tot het opstellen van een scholingsplan. Na verloop van tijd kan dan gekeken worden of scholingsplannen bijdragen aan meer en betere scholing.

Breder artikel 24-overleg

In lid a van artikel 24 van de WOR schrijft voor dat de bestuurder en de OR ten minste tweemaal per jaar een overlegvergadering hebben over de algemene gang van zaken van de organisatie. De bestuurder kan in dit overleg aangeven over welke onderwerpen hij verwacht dat de OR moet adviseren (artikel 25) of instemming moet geven (artikel 27). In het overleg worden ook afspraken gemaakt wanneer en hoe de OR in de besluitvorming wordt betrokken. De CBM wil toevoegen aan artikel 24 dat bestuurder en OR minimaal één keer per jaar tijdens dit artikel 24-overleg ook spreken over strategische onderwerpen met een horizon langer dan een half jaar.

Verschijningsplicht

In lid b van datzelfde artikel 24 staat dat toezichthouders en holdingbestuurders van de organisatie verplicht aanwezig (fysiek of digitaal) moeten zijn bij het artikel 24-overleg, tenzij de OR daar van af wenst te zien. Deze verschijningsplicht is op dit moment nog gekoppeld aan de rechtsvorm van een organisatie en geldt wel voor bijvoorbeeld besloten en naamloze vennootschappen, maar niet voor bijvoorbeeld verenigingen en stichtingen. De CBM vindt dat de verschijningsplicht moet gelden voor alle soorten organisaties.

Personeelsvertegenwoordiging (PVT)

Tot slot vraagt de CBM ook expliciet aandacht voor de PVT. Dat is een facultatief medezeggenschapsorgaan met minder bevoegdheden dan een OR voor organisaties met tussen de 10 en 50 werknemers. De rechten en plichten van de PVT zijn nu op verschillende plekken in de WOR omschreven en dat komt de leesbaarheid en duidelijkheid niet ten goede. De CBM adviseert dan ook om de PVT duidelijker te positioneren binnen de WOR.

Meer lezen over de rechten van de medezeggenschap? Lees dan de checklist Rechten van de OR.